|
De Hoge Raad geeft duidelijkheid over de toerekening van het resultaat uit ter beschikking stelling tussen in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten.
Terbeschikkingstelling (tbs)
Bij invoering van de wet inkomstenbelasting 2001 is de zogenaamde terbeschikkingstellingsregeling in de wet gekomen. Deze regeling houdt in dat de inkomsten uit de ter beschikking stelling van vermogensbestanddelen aan een onderneming of werkzaamheid dan wel aan een vennootschap, waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden, belast is als resultaat uit overige werkzaamheden. Bij de ter beschikking stelling van vermogensbestanddelen is bijvoorbeeld te denken aan het verstrekken van een geldlening aan de eigen B.V.
Sinds 2001 is het de vraag geweest op welke wijze de inkomsten uit de ter beschikkingstelling, zoals de rente op een geldlening, verdeeld dienen te worden tussen in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten. Is de bestuursbevoegdheid bepalend of is de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap doorslaggevend. Dit is van belang omdat het resultaat uit overige werkzaamheden geen gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is en daarom niet naar keuze tussen partners is te verdelen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de belastbare inkomsten uit de eigen woning.
Voorbeeld
De heer de Vries is in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Hij is enig aandeelhouder en bestuurder van De Vries B.V. In het verleden heeft hij een geldlening van € 50.000 verstrekt aan de B.V. Als gevolg van de economische crisis lijdt De Vries B.V. verlies. De terugbetaling van de geldlening aan de heer De Vries is hierdoor dubieus geworden. De heer De Vries wenst zijn vordering op de B.V. daarom in 2009 met € 30.000 af te waarderen ten laste van zijn inkomen uit werk en woning (box 1).
Standpunt 1, de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap is doorslaggevend.
De heer de Vries kan slechts de helft van € 30.000 ten laste van zijn inkomen brengen, de andere helft komt ten laste van het inkomen van mevrouw de Vries. Dit is vooral vervelend indien de heer de Vries een hoog inkomen heeft en mevrouw de Vries geen inkomen. Bij mevrouw de Vries ontstaat een te verrekenen verlies van € 15.000, welk bedrag zij, zolang zij geen inkomen heeft, niet kan verrekenen. Indien het bedrag bij de heer de Vries aftrekbaar was geweest had dit, bij een hoog inkomen, geleid tot een teruggave van 52% van € 15.000 = € 7.800.
Standpunt 2, de bestuursbevoegdheid is bepalend.
De heer de Vries kan, als enig bestuurder, het volledige bedrag van € 30.000 op zijn inkomen in aftrek brengen. Dit is interessant indien het inkomen van de heer de Vries hoger is dan het inkomen van mevrouw de Vries.
Procedure Hoge Raad
De staatssecretaris heeft in diverse beleidsbesluiten het standpunt ingenomen dat bij in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten de inkomsten uit ter beschikking stelling aan beide partners, ieder voor de helft, moeten worden toegerekend en dat de bestuursbevoegdheid niet van belang is. Tegen deze opvatting is door een belastingplichtige geprocedeerd die (een gedeelte van) zijn vordering op de B.V. volledig en niet voor de helft ten laste van zijn inkomen wenste af te waarderen. De rechtbank in Haarlem stelde belastingplichtige eerder al in het gelijk en nu is hij ook door de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege, in het gelijk gesteld.
Conclusie is dat het inkomen uit ter beschikking stellen moet worden toegerekend aan de degene die daadwerkelijk over het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel kan beschikken. Dat is degene die bestuursbevoegd is met betrekking tot het vermogensbestanddeel, in dit geval de vordering. Terugkomend op het eerdere voorbeeld: standpunt 2 is volgens de Hoge Raad het juiste standpunt.
Hoe nu verder
De eerste vraag is wat belastingplichtigen nog kunnen doen die in het verleden standpunt 1 hebben gevolgd?. Indien de aanslagen nog niet definitief vaststaan is in ieder geval aanpassing mogelijk. Echter indien oude aanslagen wel onherroepelijk vaststaan, is dan in een recenter nog niet geregeld jaar een correctie mogelijk op grond van de foutenleer? Dit laatste is nog niet duidelijk.
De tweede vraag is wat de staatssecretaris nu gaat doen. Hij vreest voor manipulatie, aangezien de bestuursbevoegdheid vrij eenvoudig is te wijzigen. Vorig jaar heeft hij al aangekondigd dat, indien de Hoge Raad de bestuursbevoegdheid bepalend vindt, hij zijn in eerdere besluiten neergelegde standpunt wettelijk wil laten vastleggen. Voor belastingplichtigen kan dit betekenen dat snel handelen noodzakelijk is, door nu kritisch te kijken naar mogelijke afwaarderingen.
Kees-Jan in ‘t Veld
HLB Den Hartog Accountants & Consultants
Rotterdam, 8 februari 2010
|
|